Waarom verliezen Belgische meisjes hun interesse in STEM?

 

 

BRON KNACK

KRC Research en Microsoft hielden in 12 Europese landen waaronder België een bevraging bij 11.500 11- tot 30-jarige jongedames en vrouwen rond hun interesse in STEM. STEM staat voor Science, Technology, Engineering en Mathematics: een internationaal letterwoord dat een waaier aan technologische, technische, exact-wetenschappelijke en wiskundige opleidingen en beroepen omvat. Het onderzoek wil in de eerste plaats nagaan wanneer en waarom jonge Europese vrouwen hun interesse in STEM verliezen: STEM blijkt immers ondanks alle inspanningen toch nog altijd een hoofdzakelijk mannelijk publiek te bekoren.

Amper 2 jaar tijd

Belgische meisjes krijgen pas interesse in STEM als ze 12,2 jaar oud zijn. Dat is later dan in álle andere onderzochte landen en bovendien hebben de meeste meisjes op die leeftijd al hun studiekeuze gemaakt. Dat is op zich al opmerkelijk, maar ze verliezen die interesse ook vroeger dan in andere landen. In de meeste landen deemstert de interesse weg vanaf de leeftijd van 15 of 16 jaar, in ons land is dat al op 14 jaar. Dat wil dus zeggen dat we amper twee jaar de tijd hebben om deze meisjes te overtuigen dat STEM interessante toekomstperspectieven biedt voor de studies en latere carrière. Ter vergelijking: in de andere Europese landen is daar gemiddeld 4 jaar tijd voor.

 

De relevantie van STEM is onvoldoende tastbaar voor heel wat meisjes. Toepassingen vanuit het échte leven zouden kunnen helpen.

 

"Zo'n kort window of opportunity toont vooral dat de nood groot is om buiten het debat en netwerksessies te treden en scholen verder te betrekken in activiteiten rond Girls in Stem", zegt Valerie Taerwe, senior consultant bij AE en Young ICT Lady of the Year. "En er is nog werk aan de winkel. Wie zou denken dat in 2017 slechts ongeveer de helft van de meisjes pertinent 'nee' antwoordt op de vraag: 'ik zal nooit zo goed zijn in STEM-vakken als jongens'?"

Een belangrijke reden waarom meisjes afhaken is het gebrek aan praktische ervaringen. Amper 30 procent van de Belgische meisjes geeft aan dat ze genoeg praktische ervaring mee krijgt in STEM-activiteiten. Dat het merendeel van de STEM-leerkrachten mannen zijn, komt de algemene perceptie ook al niet ten goede. Maar ook de relevantie van STEM is onvoldoende tastbaar voor heel wat meisjes. Toepassingen vanuit het échte leven zouden kunnen helpen.

Rolmodellen nodig

Belgische meisjes willen graag meer aanmoediging van vrouwen die in STEM werken (45,1%), van leerkrachten (44,6%), van bekende STEM-organisaties (42,9%) en van STEM-mensen (38,7%). Maar ook van hun ouders (37,3%) en vrienden (33%). Oftewel: er is écht een nood aan meer rolmodellen. "Ook de groepsdruk van vrienden is niet te onderschatten", zegt Kathleen De Waele van Microsoft. "Nog teveel meisjes hebben het moeilijk om een studiekeuze voor STEM te verantwoorden tegenover hun vriendinnen", klinkt het.

 

België mag dan kwalitatief wel top of class zijn qua (STEM) onderwijs, blijkbaar slagen we er toch nog niet voldoende in om onze jongste generatie te overtuigen.

 

Overigens komt uit het onderzoek ook goed nieuws naar voren; dat Belgische meisjes en vrouwen bijvoorbeeld niet meedoen aan stereotypering die in heel wat andere landen wél nog speelt. Over het algemeen stellen meisjes zich in heel Europa een man voor als ze denken aan wetenschappers, ingenieurs of computerprogrammeurs. In België is dat 'maar' 35 procent die meteen aan een man denkt. "Maar België mag dan kwalitatief wel top of class zijn qua (STEM) onderwijs, blijkbaar slagen we er toch nog niet voldoende in om onze jongste generatie te overtuigen zoals ze dat in andere landen kunnen", concludeert Valerie Taerwe.

Om jongeren te stimuleren om voor STEM te kiezen, werkte de Vlaamse Regering een actieplan uit. Dat trad in 2012 in werking en moet tegen 2020 onder andere meer meisjes in STEM-opleidingen en -beroepen krijgen. In de academische STEM-opleidingen vertegenwoordigen zij nu 24 procent. In de professionele STEM-opleidingen steeg hun aandeel lichtjes van 21,13 naar bijna 24 % in 2016, zo blijkt uit beleidsonderzoek van Minister van Onderwijs Hilde Crevits.